Nederlandse Identiteit
HomepageNieuws : Van Randwijklezing burgemeester Cohen     open menu Van Randwijklezing burgemeester Cohen
5 mei 2007 - Hendrik Wooldrik
De H.M. van Randwijklezing

De initiatiefnemers van een jaarlijkse H.M. van Randwijklezing waarin de weerbaarheid van de burgers centraal staat, hebben zich laten inspireren door het leven en de publicaties van Henk van Randwijk.

Zij zijn verheugd dat zijn naam aan dit initiatief kon worden verbonden. De H.M. van Randwijklezing zal worden gehouden door prominente sprekers uit Nederland en daar buiten, die geloofwaardig en inspirerend visies zullen ontwikkelen en perspectieven openen op mogelijkheden tot vergroting van de weerbaarheid van burgers.

“Vrijheid en identiteit”

Van Randwijklezing 2007 
 door Job Cohen, burgemeester van Amsterdam 
 St. Jacobskerk te Vlissingen
5 mei 2007

Dames en heren,

Het is voor mij een eer en een genoegen om vandaag, op 5 mei 2007, hier in Vlissingen de Van Randwijk lezing 2007 uit te mogen spreken. De vijfde mei is sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog de dag waarop wij in Nederland de bevrijding van de tirannie van nazi-Duitsland vieren, en in het verlengde daarvan, dat wij in vrijheid leven. In vrijheid leven: drie simpele woorden, met een wereld daarachter.

Niet voor niets is deze 5 mei-lezing naar Van Randwijk genoemd. Hendrik Mattheus Van Randwijk (1909-1966) is een man die in de Nederlandse herinnering voortleeft als verzetsman, journalist en uitgever van Vrij Nederland, en als non-conformist. Een man van onwrikbare principes, die hij niet voor zich kon en wilde houden, en waardoor hij regelmatig met zijn omgeving in conflict kwam. Op het Weteringplantsoen in Amsterdam, tijdens de oorlog een fusilladeplaats, wordt een monument gesierd met beroemde dichtregels van zijn hand:

Een volk dat voor tirannen zwicht
zal meer dan lijf en goed verliezen,
dan dooft het licht.

Dit is het beeld van Van Randwijk zoals we hem kennen. Veel minder bekend is dat hij zich aan het eind van zijn leven zorgen maakte over een viertal kwesties:

De grote invloed van publieke media die zich bij de keuze van onderwerpen steeds vaker alleen maar lieten leiden door de macht van de kijkcijfers en het aantal abonnees, m.a.w. door wat commercieel interessant was;
Overheidsvoorlichting die in gebreke bleef om mensen lopende conflicten uit te leggen;
Het feit dat de meerderheid van de mensen géén interesse had in de feiten en achtergronden van de grote maatschappelijke conflicten van hun tijd;
De wisselwerking tussen dit alles en de consequenties daarvan voor een vrije maatschappij.
Van Randwijk voorspelde de komst van een “Walt Disney maatschappij” en was daar huiverig voor. Maar hij vond dat je daar wel wat aan kon doen. In een interview met de journalist Henk J. Meijer in 1965 voor het programma Uitlaat - via Internet te beluisteren op Bieslog, het weblog van Wim de Bie [1]-, beantwoordt Van Randwijk de vraag hoe je mensen interesse bijbrengt, als volgt: “Door grote problemen terug te brengen tot enkele essentiële, zedelijke, menselijke vraagstukken”.

Met deze wijze raad van Van Randwijk sta ik hier voor U. Ik zal mijn best doen.

Mijn lezing van vandaag gaat over twee belangrijke en in ons land samenhangende begrippen: vrijheid en identiteit. En het zijn allebei begrippen waarvan de inhoud naar tijd en plaats verandert. Juist daarom is het nuttig om daarover bespiegelingen te houden.

Volgens de Brits-Nederlandse schrijver Ian Buruma bestaat er een typisch Nederlands concept van vrijheid. Vrijheid is in Nederland vooral: “de mogelijkheid om op je eigen wijze je eigenheid uit te drukken”[2]. Met andere woorden, vrijheid is in Nederland een essentieel onderdeel van identiteit. Deze vorm van vrijheid vond in de vorige eeuw zijn uitdrukking in het systeem van de verzuiling, met de voor iedere zuil [3] typerende en daarbij behorende eigen politieke partij, woningbouwvereniging, omroep, nieuwsbladen, scholen en universiteiten, enz. Maar dat verzuilde systeem bestaat niet meer, en dat heeft, zoals zal blijken, gevolgen voor ons denken over identiteit en vrijheid.

De Nederlandse identiteit

Wie Nederlander is, voelt zich meestal Nederlander. Dat lijkt een waarheid als een koe, maar toch is dat minder vanzelfsprekend dan het lijkt, want nationale identiteiten spreken niet vanzelf. Iedere nationale identiteit is ooit uitgevonden en vaak doelbewust van bovenaf geconstrueerd en gecommuniceerd'[4]. De Nederlandse identiteit is een uitvinding uit de 16e eeuw en er zijn tal van aanwijzingen dat zij het resultaat is van een geslaagde propagandacampagne van Willem van Oranje en zijn aanhang. In NRC Handelsblad van 29 maart 2007 wordt prof. Henk van Nierop, hoogleraar Nieuwe Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam aangehaald die ons het volgende vertelt: “Nederlands verzet tegen Spaanse onderdrukkers, dat is sinds de negentiende eeuw het beeld van de Tachtigjarige Oorlog. Toch vochten Nederlanders vooral tegen elkaar. Het was gewoon burgeroorlog in de Lage Landen”[5]. Om strategische en tactische redenen wilde Willem van Oranje vermijden dat het conflict als een burgeroorlog, of nog erger, als een godsdienstoorlog tussen katholieken en protestanten, werd voorgesteld. Dan zou hij wel de steun van de Calvinisten krijgen, maar nièt die van de katholieke meerderheid. Het was veel effectiever om het conflict voor te stellen als een vrijheidsoorlog tegen een vreemde overheerser, - Spanje dus, aldus Van Nierop.

Toen al, bij de schepping van de Nederlandse identiteit, werd die typisch Nederlandse koppeling tussen vrijheid en identiteit gelegd.

De Nederlandse identiteit is van meet af aan een sociale constructie geweest die bepaalde doelen diende. De Nederlandse identiteit bestaat, maar is tegelijkertijd, net als iedere identiteit, een menselijk bouwsel dat bestaat uit verschillende elementen.

Als identiteit geen gegeven is, maar een sociale constructie, dan is er dus alle reden om de vraag te stellen, niet alleen wat de Nederlandse identiteit is, maar ook wat die in de 21ste eeuw, gelet op de maatschappij waarin wij leven, idealiter zou moeten zijn. Zo is identiteit dus een dynamisch begrip dat een brug slaat tussen de nu levende en de komende generaties. Om met de Frans-Poolse professor Krzysztof Pomian, directeur van het Europa Museum in Brussel, te spreken: “Identity is the bridge between our generation and those to follow”.

Wij kunnen het vraagstuk van de identiteit dus benaderen vanuit de volgende vragen:

-          Wie waren we?
-          Wie zijn we?
-          Wie willen we zijn in de toekomst?

Ik loop deze drie vragen achtereenvolgens na.

Identiteit: wie waren we?

Verzuiling

De Nederlandse identiteit heeft sinds de 16e eeuw vele veranderingen ondergaan – het gaat in dit bestek te ver om al deze veranderingen na te lopen, daarom beperk ik me tot de modernste geschiedenis.

Vanaf het einde van de 19e eeuw tot de jaren zestig van de vorige eeuw werd de Nederlandse identiteit bepaald door de verzuiling. In de zuilen, dáár gebeurde het; dáár was de identiteit van de Nederlander het sterkst. Hij was protestant, katholiek, socialist, communist of liberaal – dat vooral. De Nederlandse identiteit als zodanig was voor binnenlands gebruik van een zwak kaliber, en kan het beste worden bestempeld als een van “eenheid in verdeeldheid”. Van buiten af gezien kan de Nederlandse identiteit daarentegen als tamelijk sterk ervaren zijn. We waren: “een koloniale mogendheid”, “een sterke handelsnatie”, “de kleinste onder de grote landen”, en, niet te vergeten: “gidsland”.

Binnen de zuilen vond de Nederlander van vroeger zijn zingeving. Dat die zuilen ontstonden was op zichzelf niet verwonderlijk. Het moderne Nederland zoals dat zich in de loop van de 19e eeuw ontwikkelde, bestond uit uiteenlopende groeperingen, waarvan de protestanten, de katholieken, de socialisten en de liberalen de grootste waren, maar die ieder op zich slechts een minderheid van de bevolking vormden en de andere groeperingen dus nooit hun wil konden opleggen. In de loop van de twintigste eeuw ontwikkelde de eenheid van Nederland zich uit een verdeeldheid die handelde vanuit drie principes:

-         het recht op uitdrukking van de “eigenheid” van de groep als basis voor de organisatie van het eigen leven via eigen scholen, universiteiten, politieke partijen, dagbladen, omroepen, vakverenigingen, enz.

-         de erkenning van het gelijke recht op het anders-zijn van de ander,

-         een consensusmodel dat gebaseerd was op de uitruil van voor de verschillende zuilen belangrijke kwesties. Conflicten tussen de zuilen werden niet opgelost (daarvoor waren de verschillen vaak te groot), maar werden door de leidsmannen van de zuilen uitgeruild. Het belangrijkste voorbeeld van zo’n uitruil is de pacificatie van 1917, toen het algemeen mannenkiesrecht (belangrijk voor de socialisten) uitgeruild werd voor de vrijheid van onderwijs en de garantie van gelijke overheidssubsidiëring voor bijzondere scholen (belangrijk voor de confessionelen), en in de grondwet geregeld.

Aan deze principes ontleende de Nederlander van vroeger niet alleen zijn zekerheid, maar ook zijn gevoel van vrijheid.

Typisch Nederlandse vorm van vrijheid

Deze typisch Nederlandse vorm van vrijheid is dus niet alleen de vrijheid om de eigen eigenheid uit te drukken, maar ook vrij te zijn van de bemoeienis van anderen. Als tegenprestatie voor deze vrijheid om met rust gelaten te worden, worden anderen op hun beurt met rust gelaten en met hun eigen eigenheden getolereerd. Met respect had deze vorm van tolerantie dus niet zo veel te maken; met een eis tot wederzijdse assimilatie ook niet; met eigenbelang des te meer. Het is deze vorm van vrijheid die Ayaan Hirsi Ali zo prachtig beschrijft in haar autobiografie “Mijn Vrijheid”, en het is deze vrijheid die zij in ons land zo bijzonder vindt. Om daar meer van te begrijpen, besluit ze politieke wetenschap te gaan studeren[6]. Het is wonderlijk om nu te moeten constateren dat zij bij het uitdragen van haar opvattingen juist van deze vorm van vrijheid zo weinig rekenschap geeft.

Ruimte voor het anders-zijn was de norm, en dat vooral direct gekoppeld aan ruimte voor de eigen groep. Dat recht op anders-zijn en toch gelijk behandeld te worden paste in de verzuilde Nederlandse samenleving, maar speelde ook daarna een belangrijke rol bij de emancipatie van bijvoorbeeld vrouwen en homoseksuelen en hun aanspraken om volwaardig in de Nederlandse samenleving te mogen participeren.

Identiteit: wie zijn we?

Belangrijke ontwikkelingen

In de jaren zestig van de twintigste eeuw nam de geschiedenis een loop die voor een aantal kwesties van vandaag belangrijk zijn:

Het systeem van de zuilen begon vanaf halverwege de jaren zestig af te brokkelen en kan anno 2007 als ter ziele worden beschouwd. Dat moest wel consequenties hebben voor de Nederlandse eenheid, gebaseerd als die was op het adagium “eenheid in verdeeldheid”. Het recht om de eigen eigenheid uit te dragen bleef in de vorm van “vrij om jezelf te zijn” bestaan, maar die vrijheid kwam in botsing met het gelijke recht van de ander op anders-zijn. Alleen waren er nu, behoudens een beroep op de rechter, minder mogelijkheden om botsingen af te wenden - al hadden we dat lange tijd niet door. Conflicten tussen verschillende “eigenheden”, tussen verschillende identiteiten, konden nu niet meer worden uitgeruild, maar moesten worden opgelost. Jij wint en ik verlies, of ik win en jij verliest, een tussenweg lijkt er niet te zijn. Zie bijvoorbeeld de vraag die sinds de komst van het Kabinet Balkenende IV de gemoederen bezighoudt, namelijk of ambtenaren van de Burgerlijke Stand het recht hebben om zich, vanwege gewetensbezwaren, te onttrekken aan het sluiten van het homohuwelijk.
Vrijwel tegelijkertijd kreeg Nederland voor het eerst in zijn moderne geschiedenis te maken met een omvangrijke migratie. Eerst halverwege de jaren zestig uit Italië, Spanje, Portugal, Joegoslavië, vervolgens uit Marokko en Turkije. Vanaf de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 vestigden zich tienduizenden Surinamers in Nederland. En vanaf eind jaren zeventig kwamen vele migranten, vaak vluchtelingen uit de hele wereld naar ons land. Steden als Amsterdam en Rotterdam herbergen inmiddels meer dan 170 nationaliteiten.
Vanaf de jaren zeventig heeft het gelijkheidsbeginsel in de Nederlandse samenleving een prominente rol gespeeld. Was ongelijkheid vroeger een vanzelfsprekend onderdeel van het leven, nu zijn grote verschillen vervaagd in onze samenleving: tussen man en vrouw, tussen ‘standen’, tussen deskundigen en leken, en zelfs de verschillen tussen politieke partijen lijken minder groot, al heeft dat laatste niet zoveel met het gelijkheidsbeginsel te maken. Met de doorvoering van het gelijkheidsbeginsel is intussen veel ervaring in de omgang met grote verschillen verloren gegaan.
Nationale en internationale context

Dat alles gebeurde binnen een context van steeds verdergaande individualisering, democratisering, globalisering, privatisering en terugtredende overheid, en last but not least, van secularisering[7]. In mijn Cleveringa-rede van 2002 heb ik de gevolgen beschreven van deze vijf grote ontwikkelingen voor onze samenleving. Ik heb toen gezegd dat dit ontwikkelingen zijn die heel veel vrijheid hebben gebracht, op velerlei gebied, maar dat hun schaduwkanten, eenmaal zichtbaar geworden, ook veel onzekerheid hebben teweeg gebracht en er ook toe hebben geleid dat mensen als individuen en als vreemden tegenover elkaar zijn komen te staan. Het SCP rapport “De sociale staat van Nederland 2005” lijkt dat te bevestigen: het constateert als een nieuwe ontwikkeling in Nederland het veelvuldig vóórkomen van sociale en emotionele eenzaamheid door individualisering, echtscheiding of ander verlies van partner. Steeds meer mensen voelen zich alleen staan in een samenleving die sterk in verandering is, weinig houvast biedt en dus als bedreigend ervaren wordt.

Dit alles klemt te meer in een tijd waarin de spanningen op het internationale vlak steeds meer tot ons doordringen en ons ingrijpend beïnvloeden. Het is al eerder gezegd: de terroristische aanslagen door de fundamentalistische islamitische organisatie Al Qaida van 11 september 2001 op New York en Washington, zijn een keerpunt geweest. Sindsdien zijn wij ons van een aantal werkelijkheden scherp bewust geworden:

-         wij leven in een land met heel verschillende culturen zonder dat wij die culturen kennen en begrijpen. Gebrek aan begrip, wederzijds begrip, leidt tot angst: wat wil “de ander”, die tegelijkertijd onze buurman en buurvrouw is, eigenlijk?

-         en wat betekent het om Nederlander te zijn in een wereld die een “global village” is geworden?

-         in diezelfde “global village” waar alles en iedereen met elkaar verbonden is, kunnen conflicten, ook als ze ver weg plaats vinden, niet meer bestempeld worden als kwesties waar we niets mee te maken hebben;

-         economische welvaart, technologisch vernuft en militaire macht kunnen ons niet beschermen tegen aanvallen van buiten en ten slotte,

-         in tegenstelling tot wat wij heel lang konden denken, kunnen grote materiële welvaart en onveiligheid wel degelijk samen gaan.

We hebben sindsdien twee oorlogen meegemaakt, in Afghanistan en Irak, waar Nederlandse troepen aan hebben deelgenomen en nog aan deelnemen. Er zijn sinds 11 september 2001, op diverse plaatsen in de wereld opnieuw terroristische aanslagen door moslim fundamentalisten gepleegd, waarbij tientallen doden en gewonden zijn gevallen: Bali, Casablanca, Istanbul, Madrid, Londen, om een aantal ervan te noemen. En ja, ook wij zijn met dit geweld geconfronteerd toen Theo van Gogh in november 2004 door Mohammed B. werd vermoord.

Het internationale klimaat draagt ontegenzeggelijk bij aan de huidige sfeer van bedreiging en vervreemding.

“Is dit nog mijn Nederland?”, “is er voor mij nu en in de toekomst nog wel een plek in de samenleving?” en “waar hoor ik bij?” dat zijn de steeds terugkerende vragen – voor autochtoon én allochtoon. De samenleving is in de formulering van Pim Fortuyn “verweesd” geraakt. Aan deze vragen en gevoelens dankte hij grotendeels zijn komeetachtige opkomst eind 2001 (pal ná 11 september 2001) en begin 2002 voordat hij in mei 2002 door Volkert van der G. werd vermoord.

 

Nederland bevindt zich door dit alles voor het gevoel van velen plotseling midden in de Boze Grote Wereld. We kunnen ons niet meer koesteren in ons zelfbeeld van kleine, veilige, vrije enclave aan de Noordzee. Het Nederlandse “neen” tegen Europa in 2005 heeft misschien nog meer te maken met deze onzekerheid en deze gevoelens over de eigen plaats en rol in de wereld dan met een aversie tegen het kabinet-Balkenende III. “Onze hele Nederlandse identiteit gaat verloren” was de krantenkop boven een recent artikel in het NRC Handelsblad dat over Europa ging[8].

Vrijheid revisited?

En hoe zat het intussen met de vrijheid? Dat begrip dat zo lang onlosmakelijk deel had uitgemaakt van onze Nederlandse identiteit?

Vrijheid lange tijd vanzelfsprekend

Vrijheid was tot 11 september 2001, gedurende meer dan vijftig jaar in Nederland een vanzelfsprekende zaak: niet alleen de eigen eigenheid was gegarandeerd, maar op allerlei denkbare terreinen van het leven kwam er zelfs steeds meer vrijheid: staatkundig, politiek, economisch, op het gebied van vrouwenrechten, van individuele rechten, enz.

En zo veranderde langzaamaan de inhoud van het begrip vrijheid. Het was niet langer de typisch Nederlandse vorm van vrijheid zoals ik die hiervoor heb beschreven. Vrijheid werd vanaf eind jaren zestig steeds meer een kwestie van persoonlijke keuzes in de individuele persoonlijke levenssfeer. Dat gold niet alleen voor bijvoorbeeld het consumptiepatroon, maar ook voor kwesties als abortus, euthanasie, drugsgebruik, en vrije beleving van seksualiteit. Voor sommigen strekte de keuzevrijheid zich zelfs uit tot het zich niet houden aan de regels (kraken (“uw rechtstaat is de onze niet!”), het gebruik van drugs) met als spiegelbeeld aan de kant van de overheid het befaamde gedoogbeleid.

Veel Nederlanders voelden zich vrij, niet omdat hun “eigen eigenheid” was gegarandeerd (daar was iedereen aan gewend en dat sprak als het ware vanzelf), maar omdat in Nederland dingen werden gedoogd, getolereerd en zelfs wettelijk geregeld – abortus, euthanasie, soft-drugs, prostitutie, homohuwelijk - die in de rest van de wereld taboe waren. Het was een vorm van vrijheid en tolerantie die je alleen in Nederland tegenkwam. Een vrijheid met een anarchistische inslag die je bij uiteenlopende gebeurtenissen kon proeven zoals sommige televisieprogramma’s, de Wallen, Koninginnedag en de Gay Parade. Op deze vorm van vrijheid waren velen vaak al dan niet stiekem trots – in die zin kan je zeggen dat opnieuw vrijheid een kwestie van Nederlandse identiteit was.

Vrijheid gecompromitteerd

Maar toch.

Ondanks het feit dat anno 2007 de meeste vrijheden waar andere landen naar snakken, in Nederland geregeld en wettelijk verankerd zijn, is er toch het nodige veranderd. Het lijkt erop alsof het begrip niet meer bindt, maar eerder splijt.

Hoe komt dat?

Het hangt samen met het feit dat het begrip vrijheid geen eenduidig begrip is en met het feit dat in onze steeds meer geïndividualiseerde samenleving de verschillende vrijheden verschillend gewaardeerd worden. De één waardeert dat hij in een vrije economie vrij geld kan verdienen; de ander vindt dat helemaal niet zo nodig. Die ander waardeert op zijn beurt weer een andere vorm van vrijheid (bijvoorbeeld abortus en euthanasie). Maar al zijn, om bij het laatste voorbeeld te blijven, abortus en euthanasie in de wet geregeld, dan wil dat nog niet zeggen dat iedereen dat als verworven vrijheden ziet. Integendeel, in sommige kringen worden abortus en euthanasie met afschuw bekeken. Hetzelfde kan worden gezegd over de afschaffing van het bordeelverbod en het gedogen van softdrugs: voor sommigen het summum van vrijheid en tolerantie, voor anderen een teken van in onvrijheid, uitbuiting en verslaving doorgeslagen tolerantie.

Dat “vrijheid” geen eenduidig begrip is, en dat er vormen van vrijheid zijn die door de ene groep Nederlanders zeer worden gewaardeerd, maar door andere Nederlanders worden verafschuwd bleef lange tijd verborgen. En dat de migranten en nieuwkomers in die context al helemaal niet wisten waar ze aan toe waren hadden we ook lange tijd niet door.

Verschillende soorten vrijheden dus, die verschillend worden beleefd, en soms helemaal niet als vrijheid. Laat ik nog een paar voorbeelden geven die laten zien dat dat begrip niet meer met hetzelfde gemak als vroeger kan worden gehanteerd.

Vrije markt

De afgelopen decennia hebben sterk in het teken gestaan van het vrije markt-denken, met privatisering en eigen verantwoordelijkheid als belangrijk toebehoren. De opmars van de vrije markt na de overwinning op het communisme na 1989 en de toegenomen welvaart sindsdien in alle landen van Europa, maakten deze vereenzelviging van vrijheid met vrije markt des te gemakkelijker. Maar ook hiervoor geldt dat de schaduwzijden zichtbaar zijn geworden. De kritiek op het vrije markt denken kan als volgt worden samengevat. Economie, welvaart en alles kunnen kopen wat je wilt, is niet alles. Vercommercialisering van het bestaan dreigt en de alles doordringende invloed van geld en markt zet “solidariteit” en “sociale cohesie” onder druk. De Engelse historicus Mark Mazower laat ons zien dat dit verwijt weliswaar niet nieuw is, maar daarom niet minder relevant: de markt kan nu eenmaal geen gevoelens van “thuis zijn” creëren bij uiteenlopende groepen mensen van uiteenlopende afkomst. Hoe belangrijk die gevoelens zijn, heb ik eerder uiteengezet. Mensen zullen hun gevoelens en verlangens om ergens thuis te horen dus ergens anders beleggen: bij de eigen natie, bij de eigen religie, of waar dan ook. Het komt er dus op aan, aldus Mazower, en ik zeg het hem na, om de toenemende rijkdom te verzoenen met het afnemende gevoel van persoonlijke geborgenheid[9].

Vrijheid van meningsuiting

De discussie over vrijheid is in Nederland na de moord op Pim Fortuyn en die op Theo van Gogh in het teken komen te staan van de vrijheid van meningsuiting – die boven alle andere in Nederland geldende vrijheden zou staan. Uit het voorafgaande mag blijken dat dat in ieder geval historisch niet juist is, en een breuk zou betekenen met de veelvormige vrijheid die in de afgelopen eeuwen ontstaan is. De vrijheid van meningsuiting werd bovendien opgevat als “het recht om alles te zeggen wat je wilt” en impliceerde bovendien “het recht om te beledigen” – opvattingen die naar de mening van andere Nederlanders, en ik behoor tot die groep, niets te maken hebben met vrijheid maar wel met ordinair geschreeuw, onbeschoftheid en gebrek aan respect voor anderen.

Met een beroep op de Verlichting en de vrijheid van meningsuiting, is het vervolgens bon ton geworden om over anderen te fulmineren. En wij hebben gezien hoe allochtonen, en dan vooral moslims, daarvoor in aanmerking komen. Het zou gaan om een achterlijke godsdienst, zij weigeren zich te assimileren, zij bedreigen onze vrijheid (door Moskeeën te bouwen en de shariah te willen invoeren) of zij betonen zich mogelijk deloyaal aan Nederland (door een dubbele nationaliteit). Kortom, onder de vlag van vrijheid wordt door sommigen erop aangestuurd om een groep haar eigenheid te ontnemen. En dat wordt door die groep dan weer als bedreigend ervaren, met als reactie dat men zich juist nog méér op de eigen groep gaat richten. Ook dat plaatst het begrip vrijheid in een ander daglicht.

Wie dat alles overziet, hoeft niet verbaasd te zijn dat het begrip “vrijheid” zeker niet alleen mooie connotaties teweeg brengt.

Identiteit: wie willen we zijn?

Voorlopige bevindingen

Uit alles wat ik u tot nu toe heb verteld, rijst het beeld van de huidige Nederlander als een hyperindividualist, tuk op zijn eigen vrijheid, vaak zeker en tevreden over zijn eigen omgeving, maar onzeker over wat hij aan moet met de vrijheid van een ander, zeker als die ander moslim is, kampend met onzekerheid over zijn eigen rol in zijn eigen land en in de wereld, bang door en voor (de snelheid van) alle veranderingen, waar hij niet om gevraagd heeft en die hij lang niet altijd als verbetering ziet.

Als dit zo is, dan hoeft dat niet te verwonderen. De Duitse filosoof Rudiger Safranski zegt in een essay over Rousseau het volgende: “Het genieten van de eigen vrijheid slaat om in angst voor de vrijheid van de anderen, waardoor de buitenwereld zo onbetrouwbaar en ondoorzichtig wordt. Omdat ik mezelf als vrij wezen ervaar dat steeds opnieuw kan beginnen en aan consequenties, regels, normen en berekenbaarheden kan ontsnappen, weet ik dat de anderen dat ook kunnen. Maar op die manier verdwijnt de transparantie en betrouwbaarheid uit de wereld, en dan kan het me overkomen dat ik uit de onbewolkte hemel van de spontaniteit van de anderen als door bliksemslagen word getroffen”[10].

Of dit beeld klopt staat nog te bezien. En of het erg is evenzeer. De Nederlander komt uit verschillende onderzoeken nog steeds naar voren als een van de gelukkigste burgers van Europa. Maar het is wel duidelijk dat de Nederlander op zoek is naar een nieuwe manier om zijn Nederlandse identiteit vorm te geven.

De typisch Nederlandse vorm van vrijheid die inhield de mogelijkheid om op je eigen wijze je eigenheid, je identiteit, uit te drukken en dat anderen ook in vrijheid te laten doen, omdat je daarmee tegelijkertijd de vrijheid kreeg om met rust te worden gelaten door andersdenkenden – is niet meer. Of beter gezegd: kan slechts voor de helft worden gerealiseerd.

Immers, vrijheid opgevat als de mogelijkheid om je eigen identiteit tot uitdrukking te laten komen, kan in Nederland nog steeds. Wat niet meer kan is dat die identiteit, hoe die er ook uit ziet, er zonder kritiek en bemoeienis van de ander mag zijn. De uitruil dat je de eigenheid van de ander tolereert, zolang hij jou ook met rust laat lijkt verloren te zijn gegaan. In een land waar vrijheid als keuzevrijheid wordt gedefinieerd, lijkt er alleen maar ruimte te zijn voor één eigenheid, één identiteit, één manier waarop de Nederlandse identiteit wordt geconstrueerd, waar je loyaal voor kiest of niet. Dat deze voorstelling van zaken van weinig historisch besef getuigt en op gespannen voet kan komen met vrijheid, volgt uit het voorafgaande. Maar alleen vanuit deze voorstelling van zaken kan het debat over dubbele nationaliteit en loyaliteit aan Nederland zoals zich dat ontspon naar aanleiding van de benoeming tot staatssecretaris van de PvdA’ers en Nederlanders van allochtone afkomst Ahmed Aboutaleb en Nebahat Albayrak in het kabinet Balkenende IV worden begrepen.

Het wordt tijd voor de vrijheid om je eigen identiteit te mogen kiezen en zelf te mogen bepalen hoe je aan je Nederlandse identiteit gestalte geeft.

Naar een nieuwe Nederlandse identiteit

In mijn Multatulilezing van 2005[11] heb ik James Kennedy, sinds 2006 hoogleraar Nederlandse Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, aangehaald die heeft opgemerkt dat er in Nederland “voor het eerst een meerderheidscultuur ontstaat die gekenmerkt kan worden als liberaal, seculier en blank. Omdat deze mensen zich niet tot een minderheidscultuur voelen behoren, zijn zij minder geneigd de waarde van respect voor minderheden te erkennen. Omdat het geen deel uitmaakt van hun eigen belevingswereld, kunnen zij zich moeilijker voorstellen waarom minderheden een bepaald respect zouden moeten krijgen”[12].

Dat heeft de volgende consequenties.

·         Men heeft de neiging om de Nederlandse identiteit te zien als een “mono-identiteit” waartegenover etnische en religieuze identiteiten worden geplaatst die zich niet verdragen met de Nederlandse identiteit.

·         Men heeft moeite met de vrijheid van godsdienst en ziet die als een bedreiging van de vrijheid in plaats van, zoals eeuwenlang gold, als een garantie voor de vrijheid.

·         Een andere consequentie is dat men zichzelf verlicht en bevrijd acht en zich opstelt tegenover een minderheid die dat niet zou zijn. Dat heeft consequenties naar twee kanten. Ten eerste zet men de minderheid onder druk om zich aan te passen. Ten tweede verschuift de noodzaak om tolerant te zijn van een vraag aan jezelf (“ben ik wel tolerant?”) naar een verwijt aan de ander (“jij bent niet tolerant”).

·         Bovendien vindt die verschuiving plaats zonder al te veel zelfreflectie over het eigen gehalte aan tolerantie. James Kennedy zegt daarover naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh: “Het lijdt wat mij betreft geen twijfel dat er een dubbele maatstaf geweest is ten opzichte van wat Theo van Gogh zei over moslims. Dat werd in brede kringen geaccepteerd, terwijl de discriminerende opmerkingen van moslims veel minder werden geaccepteerd”[13].

Ik vind de ontwikkeling van een Nederlandse mono-identiteit in ons land waarin het uitgangspunt traditioneel is dat men de eigen identiteit mag uitdrukken én de ander ook, problematisch. In mijn Multatulilezing stelde ik daarom een aantal vragen die ik hier herhaal.

Hoe ziet een nieuwe Nederlandse identiteit er uit? Is die identiteit inclusief of exclusief ten aanzien van alle in Nederland woonachtige individuen en groepen? Houden minderheden, indien ze niet tot die “meerderheid” wensen of kunnen toetreden,  indien ze de mono-identiteit niet wensen of kunnen onderschrijven, een plaats binnen de samenleving, als minderheid, maar met gelijke rechten en plichten en met respect voor hun anders zijn? Of gaan we naar een samenleving, waarin de minderheden daarbuiten vallen – en dus niet beschikken over gelijke rechten?

Eén ding is zeker, ook in de 21ste eeuw is de Nederlandse identiteit geen gegeven, maar impliceert de vorming van een Nederlandse identiteit een keuze . Een keuze over de samenleving die wij willen zijn.

Ik kies voor een inclusieve samenleving. Een samenleving die insluit en niet uitsluit, omdat dat past in het huidige tijdsbestek van globalisering, waarin we niet meer kunnen pretenderen dat wat ver weg gebeurt ons niet aangaat en waarin we in eigen land leven en zullen blijven leven met mensen afkomstig uit vrijwel alle landen van de wereld.

Contouren van een nieuwe Nederlandse identiteit.

Wat betekent een keuze voor een inclusieve samenleving voor de vorming van Nederlandse identiteit? Ik schets een paar contouren.

In de eerste plaats de erkenning van het principe dat identiteit een kwestie is van vrijheid. Dat past bij onze geschiedenis; de aardige reclamecampagne van de Postbank van enige jaren geleden had het al over 16 miljoen Nederlanders die zich niets laten gezeggen. Wat de Nederlandse identiteit bijzonder maakt, is juist dát: de vrijheid om in vrijheid je identiteit te kiezen. Vrijheid om de elementen te kiezen waaruit men de eigen identiteit samenstelt.
Wat de individuele Nederlandse identiteit betreft: die verdraagt zich heel goed met andere identiteiten en is in dat opzicht inclusief. “Laat eenieder de mensheid in zichzelf tot uitdrukking brengen” zei Schiller[14]. Je kunt Nederlander zijn én geboren in een ander land (vraag maar eens aan tweede-generatie-Australiërs van Nederlandse komaf die (weer?) Nederlander willen worden…). Je kunt Nederlander zijn én moslim, of jood, humanist, hindoe of atheïst. Nederlander én wit, zwart, bruin of geel. Je kunt Nederlander zijn èn blank, seculier en liberaal. Maar ook Nederlander èn zwart, moslim en conservatief. Enz.
Omdat de individuele identiteit een kwestie van vrijheid is, is de individuele Nederlandse identiteit een zaak waar overheid en politiek weinig over te zeggen hebben. Loyaliteit afdwingen ten opzichte van één, van hogerhand, of door andere burgers, vooraf bepaalde Nederlandse identiteit, verdraagt zich niet met de vrijheid van identiteit.
Daarnaast zijn er onmiskenbaar elementen die men de collectieve Nederlandse identiteit zou kunnen noemen, en die zich kenmerkt door een aantal zaken dat zich door de eeuwen heen in verschillende gedaantes in ons volk heeft gemanifesteerd zoals
1.      het gevoel van vrijheid
2.      openheid naar nieuwe dingen, mensen, ideeën, oorden
3.      naar buiten gerichtheid: handel, reizen, ontdekken
4.      leven en laten leven
5.      rijk zijn, maar doen alsof je het niet breed hebt
6.      de eindeloze neiging tot gezeur over de ander zonder dat al te serieus te nemen.

Ook hier is geen sprake van absolutisme. Een ander lijstje kenmerkende eigenschappen is ook mogelijk. Maar je zou je wel kunnen afvragen welke van deze eigenschappen je als volk wil koesteren en behouden, en waar je van af wil omdat ze in de 21ste eeuw geen enkele functie meer hebben.

Rechtsstaat stelt regels en handhaaft grenzen

Als we de vrijheid van identiteit accepteren, dan moeten we wel accepteren dat de ene invulling van Nederlandse identiteit zich in principe niet hoeft te verdragen met een andere invulling ervan. Dan moeten er regels zijn die bepalen hoe alle Nederlandse burgers, met allen een mogelijke andere invulling van hun identiteit, zich ten opzichte van elkaar dienen te gedragen, want van de ene identiteit moet natuurlijk geen dreiging uitgaan naar een andere. Hoe deze regels luiden wordt in onze rechtsstaat door wetgever en rechter bepaald. Bij het vaststellen van wetten speelt de politiek een bepalende rol. En dan is de vraag hoe die rol er idealiter uitziet. De Duitse filosoof Rudiger Safranski zegt daarover: “Politiek is een zaak van vredestichting op het terrein van strijdige waarheden. Een vredestichting die geen omvattende waarheid ten tonele kan voeren, behalve die welke betrekking heeft op het garanderen van menswaardige levensomstandigheden. Haar belangrijkste bijdrage daarbij is er op toezien dat men zich houdt aan de spelregels die iedereen in staat stellen om zijn of haar levenswaarheid te vinden en uit te vinden. De elementaire waarheid van de politiek zou de waarheid van die spelregels moeten zijn”.

Ik vind dat een prachtige formulering.

Conclusies

Dames en heren,

Ik kom tot een afronding. Ik heb u deelgenoot gemaakt van de traditioneel hechte relatie tussen de begrippen vrijheid en identiteit zoals die in Nederland worden verstaan. Vrijheid had lange tijd de typisch Nederlandse connotatie van de eigen eigenheid mogen uitdrukken. Anders gezegd, vrijheid was in Nederland altijd een kwestie van identiteit. Nu wordt vrijheid steeds vaker voorgesteld als een kwestie van keuzevrijheid. Ik heb laten zien dat identiteit een dynamisch begrip is, een sociale constructie die bepaalde doelen dient en als zodanig maakbaar is.

Vervolgens heb ik u meegenomen langs een reis door de Nederlandse identiteit van de afgelopen honderd jaar aan de hand van de volgende vragen: wie waren we? wie zijn we? wie willen we zijn? Ik heb u onderweg vertrouwd gemaakt met enige belangrijke ontwikkelingen die zich sinds de jaren zestig hebben voorgedaan en die niet alleen ons gevoel van identiteit, maar ook ons traditionele vrijheidsbegrip van karakter hebben doen veranderen. Die ontwikkelingen waren individualisering, democratisering, globalisering, privatisering en secularisering en tegelijkertijd in eigen land: verkruimeling van de verzuilde samenleving, de prominente rol van het gelijkheidsbeginsel en internationale migratie. Vrijheid wordt steeds vaker voorgesteld als een kwestie van keuze. Onze identiteit als Nederlanders raakte van slag. Het omslagpunt was 11 september 2001.

Deze reis heeft als voorlopig resultaat enige contouren voor een nieuwe, inclusieve Nederlandse identiteit opgeleverd, waarvoor als uitgangspunt geldt dat identiteit een kwestie van vrijheid is. De vrijheid om onze eigen identiteit gestalte te geven. Vrijheid – dat is wat ons als Nederlanders bindt. Dat is wat onze Nederlandse identiteit bijzonder maakt. Ik heb daaraan ten slotte toegevoegd dat we dan wel regels nodig hebben die iedereen in staat stellen om zijn of haar levenswaarheid te vinden en uit te vinden. Dat past binnen onze rechtsstaat en is de taak van de politiek.

Ten slotte. Ik eindig zoals ik begon, met H.M. Van Randwijk.

Daarvoor neem ik u terug naar 17 mei 1945. Nederland is net twee weken bevrijd. In het uit de illegaliteit voortkomende blad “Vrij Nederland” schrijft Van Randwijk het volgende: “Vrij? In hoeveel donkere uren hadden wij ons de vrijheid voorgesteld als een stralende dageraad, die eensklaps uitbundig over ons en ons lijden zou opgaan? O, die stilte, beklemmend en geweldig, na het plotselinge zwijgen der wapenen….

Maar het ging alles anders. In 1940 werden wij letterlijk in de slaap door de oorlog overvallen. Wij hadden hem niet geroepen en konden hem niet tegenhouden. Vijf jaren later kwam de vrede en ook nu schijnt het alsof hij gestuurd werd en niet verworven…”

En toch, zo schrijft Van Randwijk, “is onze vrijwording tot een feest geworden, zo groots, zo jubelend, dat de Nederlandse officieren uit het zuiden en onze binnenrukkende bondgenoten moesten verklaren zo iets nog nooit beleefd te hebben”[15].

Van Randwijk beschrijft vervolgens wat het betekende vrij te zijn. Er viel een druk weg. In duizend grote en kleine dingen keerde het goede oude leven terug: de radio, de fiets, het eten in de schappen van de winkels. Er klonk orgelmuziek en er werden oude Hollandse psalmen gezongen. Uit het raam van de buurman straalde licht naar buiten, na vijf jaren verduistering. De intieme huiselijkheid waardoor, zo zegt Van Randwijk “ons volk in de wereld bekend is en waardoor wij in de barre chaos die achter ons ligt, mede zijn staande gebleven” keerde eveneens terug.

Zo simpel kan vrijheid zijn.