|
Collectie WillemvanOranje.com>
Een geuzenpenning als deze werd door opstandige edelen vanaf 1566 om de nek gedragen. Dit was een indirect gevolg van het smeekschrift dat tweehonderd edelen op 5 april van dat jaar aan Margaretha van Parma, de landvoogdes over de Nederlanden, aanboden. In dit smeekschrift vroegen zij om schorsing van de ketterplakkaten en het bijeenroepen van de Staten-Generaal. Een raadsheer van Margaretha, de heer Barlaymont, noemde de edelen minachtend 'geux' oftewel bezitlozen of bedelaars. Enkele dagen later werd de term 'geuzen' op initiatief van de radicale en in Holland geliefde calvinist Hendrik van Brederode tot partijnaam van de opstandelingen uitgeroepen. Van Brederode riep tijdens een feestmaal in het huis van de heren van Culemborg: `Ik drink op de gezondheid van de geuzen. Leve de Geus!`. Ter herkenning droegen de geuzen vanaf die tijd een bedelnap aan hun riem en een zogenaamde geuzenpenning om de hals.
Op een geuzenpenning stond altijd een afbeelding van de landsheer en de tekst 'En tout fideles au roy, jusques a porter la besace': in alles trouw aan de koning, tot aan het dragen van de bedelnap. Op de achterkant van de penning waren ineengeslagen handen afgebeeld, die duiden op het gesloten verbond. De betuigingen van trouw aan Filips werden volgehouden tot aan de afzwering van de landsheer in 1581.
De hier afgebeelde geuzenpenning is vermoedelijk een reproductie van rond 1870.
Hier afgebeeld de keerzijde.
|